
Interview door Thijs Doorenbosch met Vincent van den Berg
- MSZ-Planningstafel bepaalt gezamenlijke prioriteiten voor digitalisering.
- EHDS vraagt om snelle keuzes in standaarden en infrastructuur.
- Leveranciers en zorgkoepels stemmen implementatie en capaciteit af.
- Duurzame financiering van de planningstafels is nog niet geregeld.
Goed beleid voor digitalisering in de zorg en efficiënte uitvoering daarvan begint met constructief overleg waarbij alle betrokkenen aan tafel zitten. Daarom is vanuit de Nationale Visie en Strategie voor het gezondheidsinformatiestelsel het initiatief genomen voor zes sectortafels: huisartsenzorg, medisch-specialistische zorg (MSZ), ggz, verpleegzorg/verzorging/thuiszorg (VVT), geboortezorg en apotheekzorg. In een aantal interviews gaat OIZ in op de belangrijkste thema’s voor ICT-leveranciers in de zorg. Deze keer spreken we over de MSZ-planningstafel met Vincent van den Berg die namens ChipSoft aan dit overleg deelneemt, maar ook als bestuursvoorzitter van OIZ de verbinding met de branchevereniging legt.
Aan de MSZ-Planningstafel draait het om het digitaliseringsbeleid van ziekenhuizen en zelfstandige klinieken in Nederland. Daarbij is het belangrijk om steeds duidelijk vast te stellen wat de vraag precies inhoudt, de prioriteiten in de uitvoering te bepalen en te overleggen hoe de schaarse capaciteit het best kan worden ingezet. Voldoen aan de nationale en Europese wetgeving speelt een essentiële rol in die besprekingen. Daarom hebben
- de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ),
- de branchevereniging voor zelfstandige klinieken (ZKN),
- het collectief van de universitair medische centra (UMCNL),
- de beroepsvereniging Verzorgenden Verpleegkundigen (V&VN) en
- de Federatie Medisch Specialisten (FMS)
hun krachten gebundeld in de MSZ-Planningstafel. Samen met
- de zorgverzekeraars (ZN),
- de Nederlandse kennisorganisatie voor digitale informatievoorziening in de zorg (Nictiz),
- de Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ),
- de leveranciers van elektronische patiëntendossiers (EPD),
- de gebruikersverenigingen,
- een vertegenwoordiging van de Chief Medical Information Officers (CMIO) en
- de Chief Nursing Information Officers (CNIO)
inventariseren zij de wensen vanuit de medisch-specialistische zorg en versterken zij de samenwerking tussen zorgpartijen en ICT-leveranciers.
De European Health Data Space (EHDS) is een van de overkoepelende thema’s aan de MSZ-Planningstafel. De sector moet bepalen hoe bestaande Nederlandse initiatieven aansluiten op Europese eisen en standaarden. “Het is erg belangrijk dat de vraag- en aanbodzijde in dat overleg vertegenwoordigd zijn, zodat we elkaars werelden beter leren begrijpen. Soms kijken wij er als leveranciers misschien wat zwart-wit tegenaan. Aan de andere kant begint de zorg veel beter te begrijpen waarom wij de EHDS bijvoorbeeld vooropstellen en welke impact dat gaat hebben. We moeten echt bepaalde keuzes maken. Er zijn namelijk veel thema’s die om aandacht vragen, maar de capaciteit om te veranderen is beperkt. De MSZ-Planningstafel is daarom de plek om daarover gezamenlijk besluiten te nemen.”
Welke thema’s spelen er naast EHDS nog meer aan de MSZ-planningstafel?
“We hebben bijvoorbeeld afgesproken dat alle leveranciers samen aan de slag gaan met MITZ, waarmee patiënten toestemming kunnen geven voor inzage in hun dossier. Daar was veel vraag naar vanuit de koepels. Vorig jaar en dit jaar hebben de leveranciers veel aandacht besteed aan de ontwikkeling zodat we nu kunnen gaan implementeren. Zo zijn er ook afspraken gemaakt over Twiin, het samenwerkingsverband dat spelregels en standaarden opstelt voor veilige landelijke gegevensuitwisseling. Niet alle leveranciers waren lid van Twiin. Doordat je met elkaar spreekt, kunnen we nu zeggen dat we als hele sector inzetten op Twiin.
Zo hebben we het ook over de overgang van de Nederlandse naar de Europese patiëntsamenvatting als gevolg van de EHDS.
Verder is er een aantal zaken die we, naast wat er vanuit Europa op ons afkomt, infrastructuuronafhankelijk moeten regelen. Zo is de uitwisseling van gegevens vaak gekoppeld aan een specifiek zorgplatform. Daarvan hebben we gezegd dat we dat onafhankelijk van de usecase als een generieke functie moeten regelen. Daar werd al langer aan gewerkt, maar de EHDS zet nu echt druk op de ketel, waardoor we nog maar een paar maanden hebben om alle ontwerpen definitief te regelen, want over twee jaar moeten die generieke functies, zoals adressering en vertrouwen, ingebouwd zijn in verschillende zorgtoepassingen.
Daarnaast zijn informatiebeveiliging en cybersecurity natuurlijk belangrijk thema’s omdat Europese regelgeving steeds zwaardere eisen stelt aan zowel zorginstellingen als leveranciers.”
Waar zitten de knelpunten met betrekking tot de invoering van de EHDS?
“We zijn in Nederland gewend om alles in losse programma’s te doen, dus een programma voor medicatieoverdracht, een programma voor MITZ en een programma voor PIEZO dat de uitwisseling van medische gegevens met zorgverleners in andere Europese landen regelt. Dan denken we: ‘O, de EHDS komt eraan, dan doen we dat er even bij’. Als je die twee niet snel genoeg bij elkaar brengt, dan moet je dingen dubbel gaan doen en bij wijze van spreken een Europese stekker en een Nederlandse stekker leveren op een elektronisch patiëntendossier. Maar we hebben gewoon niet de tijd en capaciteit om dingen dubbel te doen. Dat leidt bovendien tot dubbele kosten voor de zorg.”
“De grootste bottleneck is dus dat we allerlei lopende initiatieven hebben waaruit specifieke wensen zijn gekomen. Die Europese stekker wordt echter ontzettend belangrijk. Dus laten we niet te veel vasthouden aan onze eigen wensen en de eisen vanuit Brussel er een beetje bij doen. We moeten echt toe naar een Europese stekker met misschien wat Nederlandse toevoegingen erop.”
Is er een concreet voorbeeld te noemen waar het wringt?
“We hebben in Nederland gekozen om de toestemming voor inzage in medische gegevens te regelen via MITZ. De EHDS vraagt om een opt-out-mogelijkheid voor patiënten. We hebben dat onderwerp dus vanuit deze planningstafel en op de intersectorale tafel geagendeerd bij VWS: het is cruciaal dat we op zo kort mogelijke termijn weten hoe Nederland die opt-out gaat implementeren. We willen duidelijkheid of dat überhaupt kan met MITZ. Als wij nu MITZ uitrollen en er blijkt straks beleid te komen dat niet uitvoerbaar is in MITZ, ontstaat er een groot probleem. We moeten dan iets heel anders gaan implementeren naast MITZ of in plaats van MITZ. Dan gaan we dat als ICT-leveranciers niet meer halen de komende twee jaar.”
“Een ander voorbeeld is de voorbereiding op secundair gebruik van data, vooral voor onderzoeksdoeleinden. Nu ligt er nog veel nadruk op het primaire proces, dus alles rond de zorgverlening aan een patiënt. Straks komt vanuit de EHDS de nadruk steeds meer te liggen op het regelen van data-uitwisseling voor secundair gebruik. Dan gaat het om bulkdata, dus gegevens over een hele populatie die bovendien moeten worden geanonimiseerd of gepseudonimiseerd. Dat betekent dat persoonsgegevens worden vervangen door een streng bewaakte code, zodat onderzoekers gegevens niet kunnen herleiden tot individuen. De standaarden die wij nu gebruiken, zijn nog helemaal niet geschikt voor secundair gebruik. Soms zul je ook aanvullende standaarden nodig hebben. De opt-out in MITZ is helemaal niet geschikt voor secundair gebruik. Ook is pseudonimisatie nog niet uniform geregeld.”
Dit zijn acties die de planningstafel gezamenlijk neemt richting het ministerie van VWS. Wat is de rol van de planningstafel bij de onderlinge afstemming?
“We hebben eigenlijk twee hoofdonderwerpen: wat zijn de acties voor de MSZ-sector en welke zijn voor de leveranciers? Wat zijn de ontwikkelpunten en waar gaan de zorginstellingen mee aan de slag? Daar zitten raakvlakken tussen. Het gaat niet om wat de leveranciers willen ontwikkelen, maar wat de zorginstellingen graag willen implementeren. En het implementeren kost ook capaciteit bij de leveranciers. Er zitten praktische gevolgen aan vast die niet voor de koepels zijn, maar echt voor de zorginstellingen. De uitkomsten van de planningstafel zijn dus huiswerk voor de koepels om mee te nemen naar hun leden en die besluiten uit te dragen. Dat doen we natuurlijk samen, want ook de leveranciers dragen die besluiten uit naar hun klanten. De kracht van de tafel zit erin dat niet één leverancier of instelling beweegt, maar dat een hele sector gezamenlijk richting kiest.”
Er bestonden al overlegstructuren rond specifieke programma’s. Blijven die bestaan en wat is de rol daarvan?
“Het is heel nadrukkelijk niet de bedoeling om met de MSZ-Planningstafel weer een nieuw overleg te creëren. Deze planningstafel komt eens per kwartaal bij elkaar. Daarnaast blijven er ter verdieping op onderwerpen bijeenkomsten van subgroepen met hun eigen dynamiek en afspraken. Het doel is daar om de kennis vanuit verschillende perspectieven te bundelen. Op die manier ontstaat een efficiënt proces van ontwikkeling bij de leveranciers en kan de technologie gemakkelijker in de zorg worden geïmplementeerd. Sommige betrokkenen doen aan die subtafels mee en andere niet. Maar deze overlegstructuren zijn ondergeschikt aan de MSZ-Planningstafel. Veel onderwerpen zijn echter sectoroverstijgend. Zo is bijvoorbeeld medicatieoverdracht in elke sector belangrijk en raken vraagstukken rond generieke functies en andere stelselbouwstenen alle zorgsectoren. Daarom is er sinds dit jaar de intersectorale planningstafel. Die behandelt alleen de knelpunten die bottom-up door de planningstafels worden benoemd en gezamenlijk en in overleg met het ministerie van VWS moeten worden opgelost. VWS kan bij dit overleg ook zelf knelpunten agenderen. De planningstafels vormen samen met de intersectorale tafel de hoofdstructuur.”
Hoe ziet de toekomst van de planningstafels eruit?
“Wij merken aan deze MSZ-Planningstafel dat het heel waardevol is dat er een neutrale procesbegeleider is. Voor dergelijke ondersteuning is tijdelijk geld beschikbaar gemaakt door ICTU, maar dat houdt een keer op. Er is dus geen duurzame financiering geregeld voor de planningstafels. Dan moeten we de structuur zelf in de lucht proberen te houden. Het gevaar is dan dat niet alle stakeholders daar evenveel tijd voor kunnen vrijmaken, waardoor een gekleurd perspectief ontstaat.”