Netwerkzorg loopt niet vast door complexiteit, maar door keuzes die we niet maken

Auteur: Marjolein Tibbe, OIZ-bestuurder | Nedap

Iedereen zegt dat netwerkzorg de toekomst is. Sterker nog, als je strategieën leest of op congressen rondloopt, lijkt het alsof we het er allang over eens zijn. Zorg moet over grenzen heen georganiseerd worden, rond de patiënt, en dat vraagt om samenwerking tussen organisaties én om gegevensuitwisseling die de samenwerking ondersteunt.

Daar zit zelden nog discussie op.

En toch lukt het ons niet om het echt werkend te krijgen. Niet op schaal in ieder geval. Dat is op zichzelf best opmerkelijk. Niet omdat netwerkzorg eenvoudig is, dat is het zeker niet, maar wel omdat we nog te vaak doen alsof we vooral een technisch probleem aan het oplossen zijn. Alsof betere architectuur, nieuwe infrastructuren of weer een volgende innovatieagenda het verschil gaan maken.

Terwijl het probleem daar allang niet meer zit.

We hebben standaarden. We hebben afsprakenstelsels. We hebben infrastructuren. En misschien nog belangrijker: we hebben voorbeelden die laten zien dat het kan. De vraag is dus niet of netwerkzorg technisch mogelijk is. De vraag is waarom we, ondanks alles wat er al is, steeds weer uitkomen op versnippering, vertraging en opnieuw beginnen.

Voor mij zit het antwoord in hoe we het systeem hebben ingericht. En dan vooral op drie lagen: bestuur, financiering en architectuur. Die drie lijken los van elkaar te staan, maar in de praktijk versterken ze elkaar continu.

Als je begint bij bestuur, zie je dat we nog steeds primair sturen op organisaties. Verantwoordelijkheden zijn belegd per instelling, risico’s liggen daar en ook toezicht is zo ingericht. Binnen zo’n model wordt samenwerking al snel iets vrijblijvends. Zolang het goed gaat, lukt het nog wel om samen te werken, maar op het moment dat het spannend wordt, financieel, juridisch of bestuurlijk, zie je dat partijen toch weer terugvallen op hun eigen belang.

Dat is geen kwestie van onwil. Het is een logisch gevolg van hoe het systeem werkt. Maar het heeft wel consequenties.

Een van die consequenties is een patroon dat we inmiddels allemaal herkennen, maar zelden expliciet benoemen: not invented here. Zodra een oplossing buiten de eigen organisatie of regio is ontwikkeld, ontstaat de neiging om die eerst opnieuw te bekijken, opnieuw passend te maken of zelfs opnieuw te ontwerpen. Soms uit zorgvuldigheid, soms omdat iedereen nog invloed wil hebben, en soms simpelweg omdat het comfortabeler voelt om iets ‘eigens’ te hebben.

Het effect is vrijwel altijd hetzelfde. We vertragen, we creëren varianten en we verliezen schaal.

eOverdracht is daar een treffend voorbeeld van. Niet omdat het perfect is, maar omdat het laat zien dat iets landelijk bruikbaar kan zijn en toch telkens opnieuw ter discussie wordt gesteld zodra er nieuwe programma’s of financieringsstromen ontstaan. In plaats van dat we zo’n oplossing als vertrekpunt nemen en verder opschalen, zie je dat het opnieuw wordt vormgegeven, opnieuw wordt geduid en opnieuw wordt aangepast.

Daarmee vervangen we iets dat werkt, in plaats van het te benutten.

Als je vervolgens naar financiering kijkt, zie je een vergelijkbare dynamiek. Met het Integraal Zorgakkoord is er veel in beweging gekomen. Er is energie, er zijn initiatieven en er wordt daadwerkelijk meer samengewerkt. Dat is zonder meer positief. Tegelijkertijd heeft het ook een keerzijde.

Omdat middelen grotendeels regionaal worden verdeeld, ontstaat er ook regionale invulling. Dat is op zich logisch, maar zonder duidelijke landelijke kaders leidt het tot een patroon waarin meerdere regio’s vergelijkbare oplossingen ontwikkelen, ieder net op hun eigen manier. De verschillen lijken klein, maar op schaal worden ze groot.

We noemen dat vaak vooruitgang, maar in werkelijkheid bouwen we geen netwerk. We bouwen parallelle oplossingen die moeilijk op elkaar aansluiten.

Het risico is dat we dat patroon blijven herhalen. Nieuwe programma’s en nieuwe geldstromen, bijvoorbeeld binnen bewegingen zoals AZWA, creëren opnieuw ruimte om eigen keuzes te maken en varianten te ontwikkelen. Zonder harde afspraken over hergebruik, standaardisatie en schaalbaarheid ligt versnippering opnieuw op de loer.

En zolang financiering per instelling blijft lopen, blijft samenwerking in de kern optioneel. Er is simpelweg te weinig prikkel om bestaande oplossingen te hergebruiken en gezamenlijk op te schalen.

Dan de derde laag: architectuur. Ook daar geldt dat het probleem niet is dat er niets is. Integendeel. We hebben inmiddels een rijk landschap aan bouwstenen. NUTS biedt een afsprakenstelsel voor veilige, decentrale gegevensuitwisseling. Het LSP faciliteert al jaren landelijke uitwisseling van medische gegevens. En MedMij heeft een afsprakenstelsel neergezet voor gegevensuitwisseling met de patiënt.

Dat zijn geen experimentele initiatieven meer, maar serieuze fundamenten.

En toch gebruiken we ze zelden als samenhangend geheel. In plaats daarvan blijven we ruimte creëren voor varianten, aanvullingen en nieuwe initiatieven. Verschillende financieringsstromen leiden tot meerdere proof of concepts, die vervolgens naast elkaar bestaan. Daarna volgen vergelijkingen, validaties en nieuwe rondes van afstemming. En op het moment dat opschaling in beeld komt, ontstaat vaak opnieuw de behoefte om eerst nog een aanpassing te doen, een nuance toe te voegen of een eigen invulling te geven.

Het resultaat laat zich raden. We blijven hangen in POC’s.

We blijven verbeteren en verfijnen, maar komen niet toe aan echte opschaling. Daarmee wordt architectuur geen technisch vraagstuk meer, maar een keuzevraagstuk. We hebben inmiddels zoveel mogelijkheden dat het gebrek aan richting zelf het probleem wordt.

Als je deze drie lagen bij elkaar brengt, ontstaat een consistent beeld. Bestuur zorgt ervoor dat partijen hun eigen regie willen behouden. Financiering zorgt ervoor dat ze hun eigen budget hebben. Architectuur biedt voldoende ruimte om eigen varianten te bouwen. Samen leidt dat tot structurele versnippering.

Netwerkzorg faalt dus niet omdat het te complex is, of omdat de technologie tekortschiet. Het faalt omdat we de keuzes niet maken die nodig zijn om tot samenhang en schaal te komen.

We blijven opnieuw ontwerpen, opnieuw financieren en opnieuw beginnen, terwijl de basis er al ligt.

Wat dat vraagt, is geen nieuwe visie of nog een ontwerp, maar een andere houding. Het vraagt dat we stoppen met het ontwikkelen van nieuwe varianten en met het creëren van regionale uitzonderingen als vertrekpunt. Dat we data-uitwisseling niet langer zien als iets waarover onderhandeld kan worden, maar als een randvoorwaarde voor samenwerking.

En vooral dat we beginnen met hergebruik.

Dat betekent dat standaarden leidend worden, dat bestaande infrastructuren zoals NUTS, het LSP en MedMij daadwerkelijk als basis worden benut, en dat nationale schaal het uitgangspunt wordt in plaats van een bijeffect.

Uiteindelijk is netwerkzorg geen ontwerpprobleem. Het is een disciplineprobleem.

De vraag is niet of het kan. Die vraag hebben we allang beantwoord.

De echte vraag is of we bereid zijn om keuzes te maken. Of we durven te stoppen met opnieuw beginnen. Of we schaalbaarheid belangrijker durven te maken dan autonomie. En of we onze eigen ideeën los kunnen laten als dat nodig is om iets collectiefs te laten werken.

Want pas dan ontstaat er iets wat we met recht een netwerk kunnen noemen.